28 februari 2011

Een zwijn op een berghelling

Ergens op een Spaanse berghelling ligt een mobieltje, tussen de talloze glanzende stenen, hoekig en scherp, die de Sierra Nevada in de loop der eeuwen heeft prijsgegeven aan de elementen. In de zon glitteren de stenen verrassend zilver. 's Nachts, bij het licht van de maan, glimt de zilveren strip van het mobieltje stilletjes terug. Af en toe licht zijn schermpje even op, als er iemand een sms stuurt. Een nieuwsgierig zwijn snuffelt er even aan. Troepen zwijnen trekken 's nachts over deze hellingen, op zoek naar eikels. Met hun neus woelen ze de grond om en trekken er diepe voren in. Het zwijn laat het mobieltje verder ongemoeid en schuifelt verder, naar een drinkplek verderop. Herders hebben er een reservoir gemaakt door een dammetje van stenen in de beek te bouwen. Het ruikt er naar wilde tijm. Het mobieltje licht weer op, zonder geluid. Als er iemand was geweest om te lezen wat er op het schermpje stond, had hij geweten dat het de laatste keer was. 'Batterij bijna leeg'. De zwijnen verdwijnen tussen de lage bomen en het dichte struikgewas. Al snel zijn de enige geluiden op de nachtelijke berghelling het kabbelen van de beek en het ruisen van de wind.

Het klopte ergens wel, dat ik mijn mobieltje kwijtraakte. Mijn lief en ik vlogen naar Spanje en namen de bus naar Granada. In de oude Moorse wijk Albaicín trokken we een week in een piepklein appartementje. Er was geen tv, geen radio en geen computer. Zelfs geen vaatwasser. In de smalle, kronkelige straatjes woonden tetterende huisvrouwen die de hele dag hun stoepje veegden en geen woord Engels spraken. Aan hun voeten keften opgewonden hondjes. De straatjes van de wijk liepen steil tegen een berghelling omhoog. Alle huisjes waren wit. Bovenaan de helling had je uitzicht over de hele stad en daar was ons dakterras. Aan de overkant van een kloof torenden de vestingwerken en paleizen van het Moorse Alhambra. In de verte schitterden, tussen de heuvels door, 's avonds de lichtjes van de voorsteden op de vlakte.

Een week lang zonder het zoemen en stralen van speelgoed met knoppen en stekkers. Zelfs mijn telefoon vertrok uit zichzelf. Wij leefden steeds langzamer, steeds meer op de plaats. Ik was een zwijn op een berghelling. Eten, drinken, slapen. Hij en ik. Zon en maan.

En bij terugkomst? Eerst even de laatste twee afleveringen van Boer zoekt vrouw, op de laptop. Dat dan weer wel.

19 februari 2011

Impa en de vroege zon

Af en toe zit het mee, met het donker van februari. Dan schijnt een dag de zon en dan proeven we alvast weer even van het licht.

In Nijmegen kruip ik dan op het puntje van een pier naast de brug, zodat het lijkt alsof ik midden op het water zit. Dan komt de rivier onder de Waalbrug door recht op me af door de grote bocht die hij daar maakt, stroomt hij voor me langs en verdwijnt hij aan de andere kant onder de spoorbrug weer in de verte. Als ik mijn ogen dichtdoe en een tijdje diep ademhaal, wordt het geluid van het water een streling op mijn gezicht.

In Groningen snoei ik dan de druif. Voordat de sappen weer gaan stromen als het weer milder wordt, zeggen ze. Hij is nu zo ver teruggesnoeid dat ik bijna medelijden met hem kreeg. Maar het oude hout kronkelt nog over de hele muur en ik weet dat hij in het voorjaar weer uitloopt tot hij zich met een paar lange armen bij de bovenbuurman op het balkon heeft genesteld. Ik heb er spierpijn van, van zo'n vroege dag snoeien en bladharken in de tuin. Met de buurman van over de schutting heb ik bij het lenen van zijn trap vast een vroeg beginnetje gemaakt aan de lente, met een drankje buiten in de bleke februarizon.

Dat belooft wat.

16 februari 2011

Ik kwam een droom tegen

De overvaller in de winkel trekt plastic bakken met duplo uit een kast zodat niemand hem kan volgen op zijn vlucht. De blokjes vullen de ruimte tot op borsthoogte. Ik laat me tot aan mijn kin in de duplo zakken. Ik ben bang dat hij me door mijn hoofd zal schieten. Hij komt naar een vrouw toe die naast me zit en zegt tegen haar: 'Dans alsof je het meent. Vanavond ook. Dans alsjeblieft alsof je het echt voelt.' Hij begint een liedje te zingen. Hij zingt dat hij een Drent is 'in een zeiljakkie'. Ik vind het een mooi lied met een goede tekst. Ik zie de beelden voor me terwijl hij zingt: hij is Drent en hij loopt een weg af, alleen, in een geel zeiljack. Hij vraagt de vrouw al zingend of ze hem niet alleen wil laten, hem niet in de steek wil laten in zijn gele jas. 

Als ik wakker word, hoor ik het lied nog klinken.

02 februari 2011

In slaap vallen

Mijn lief ligt achter me, zijn hand op mijn buik. Het is een stille ochtend, lakenwit en dekbedzacht. Ik ben diep in mijn buik en kijk rustig rond in de energie die daar traag wervelt. Opeens voel ik me vallen, met een langzaam woesssjjjjjjjj. Het vallen gaat niet naar beneden, maar alle kanten op. Het voelt als een verschuiving. Dan ineens is er heel veel ruimte. Of liever: de afwezigheid van niet-ruimte. Ik kijk om me heen. Het voelt helemaal open aan alle kanten, eindeloos. Tot mijn verbazing hoor ik: 'Hier kan ik vrij zijn.' Ik denk: 'Dacht ik dat nou echt?' en meteen hoor ik het weer. 'Hier kan ik vrij zijn.' Dan voel ik het lichaam van mijn lief licht stuiptrekken. Z'n ademhaling wordt dieper. Ik lig in mijn witte bed, naast zijn warme lijf. Hij slaapt.