26 januari 2011

Waar ga je heen?

De mensen om hem gingen na een tijdje weer op in hun eigen gesprekken. (Ja, hoor es even, we blijven niet bezig.) Ze lieten hem in zijn eentje praten en lachen. Tegen de Franse vrouw tegenover hem sprak hij een zwierig soort zelfverzonnen Steenkolenfrans. 'Grand hotel, jolie. Falderalderal, jolie, oui, oui'. De mensen in zijn vierzitter stapten één voor één uit. Er kwam niemand voor in de plaats.

Toen hij even weg was geweest en door het gangpad terugliep naar zijn plek, keek hij me opeens aan en zei hij: 'Mag ik ook op de foto?' Even keek hij hoopvol, toen liep hij door.

Hij zat verderop in een vierzitter. Als hij zijn gezicht naar het raam draaide, kon ik hem zien in de reflectie. De zon viel op zijn gezicht. Zodra hij naar buiten keek, veranderde zijn gezicht. Dan werd het zachter en jonger. En een beetje verdrietig. Dan mompelde hij wat. Soms wees hij buiten iets aan. Tegen de krant op zijn tafeltje zei hij: 'Ach, heb je je pijn gedaan?' Daarna draaide hij zich weer naar de mensen, met een hoop lawaai en grappen in een vet Amsterdams accent.

Zijn woorden zweefden rond door de coupe, op zoek naar oren. 'Mooie neus heb je. Ik ben echt een neuzenman. Ik wil graag je neus afsabbelen. Dat zeg ik gewoon.' Het bleef een tijdje stil. Tegen het raam mompelde hij: 'Lekker zoutig.' De vrouwen aan de andere kant van het gangpad waren druk in gesprek. Ze zaten een beetje van hem af gedraaid. 'Lange neus', zei de man. 'Ach, kan jou het schelen. Lekker aan je neus sabbelen.' Het bleef stil in de vierzitter. 'Nee, sorry.' En even later, alsof hij de gedachte nog niet kon laten gaan: 'Wat zie ik daar? Een mooie neus.' Hij lachte luid en maakte een zuiggeluid.

'Wat heb jij een mooi haar,' zei hij tegen me. Ik tilde mijn tas uit het bagagerek en trok mijn jas aan. De trein minderde vaart op weg naar mijn station. Ik bleef staan tussen de stoelen waar ik had gezeten en keek hem aan. Ik glimlachte naar hem. Hij stak zijn duim op en knipoogde. 'Het mooiste haar van de hele trein.' Ik wachtte. 'Ik had vroeger ook zulk haar,' zei hij. Hij wees op zijn hoofd, met een sliertige grijze paardenstaart. 'Dus nu weet je meteen hoe je er later uit komt te zien.' Hij keek zo guitig dat ik in lachen uitbarstte. Hij lachte mee. We lachten samen, over de hoofden van de mensen in de coupe. 'Waar ga je heen?' vroeg ik. 'Met jou mee, als je wilt, zei hij.' Ik schudde mijn hoofd. 'Waar ga je heen?' 'Met jou mee.'

5 opmerkingen:

pepperfly zei

Tjongejonge. Een heuse cliffhanger!

;-)

Impa zei

@Pepperfly: Ehm, nou, nee. Ik stapte uit. Einde verhaal. Sorry.

Lian Reuvekamp zei

Mijn hemel. Leuk geschreven. Maar je zult er maar niet vanaf komen...

pepperfly zei

@ Impa: ik vreesde al zoiets. Snik.

Wenz zei

Mensen zijn zo ongemakkelijk in zijn buurt omdat hij geen grenzen lijkt te hebben, zich niet aan wenselijke woorden houdt. En toch, een beetje contact, terwijl jijzelf je grens heel stevig vasthoudt - en dan lukt het gewoon om samen te lachen. Mooi, Impa.