26 oktober 2010

Impa en de liefde

Het is altijd gemakkelijker om van mensen te houden die je niet kent. ECHT van mensen houden dan, hè? Dat je ziet dat het allemaal prachtige wezens zijn, kinderen van het geheel en dat er onder elk gerimpeld uiterlijk en elk stoffelijk leven vol tekortkomingen en vergissingen een ziel schuilt op zoek naar liefde. En dat je dat niet dénkt, met je hoofd, maar het ten diepste ervaart. Op weg naar het postkantoor bijvoorbeeld, als de herfstzon in een blauwe lucht staat en ik langs de vijvers onder de bomen loop, dan kan ik dat heel goed. Dan kijken de mensen verbaasd terug terwijl ik voel hoe ik met mijn schouders glimlach adem en dan zwaaien kleine kinderen naar me vanuit hun buggies.

Een zwarte kat biedt zich aan op een elektriciteitskastje, onder handbereik. Zijn staart is geknakt en gebroken en hij mekkert een waarschuwing als ik hem aanraak. Maar zíjn schouders ademen ook glimlach en zijn kopje geeft goede zin. Na een tijdje katbrabbelen en handen op schouders en rug draait hij zich om en biedt hij me de staart alsnog aan. Ik leg er zacht een tijdje mijn hand op tot er weer verdergesnuffeld en gejaagd moet worden. Een dier weet zelf precies wanneer het genoeg heeft.

Houden van mensen die dichterbij je staan, dat is een stuk moeilijker. Want dan heeft de mens ineens met jou te maken, met jouw verlangens en wensen en behoefte aan liefde en veiligheid en met jouw geworstel met de liefde voor jezelf en dan wordt onbaatzuchtige liefde vermengd met eigenbelang en angst in al z'n subtiele verschijningsvormen. Van de buurman houden is al moeilijker dan van die prachtige zielen op straat. Want de buurman die ken je en daar moet je wat van. Stilte, bijvoorbeeld. Of gezelligheid. Van je moeder en vader houden is het allermoeilijkst. Want hoewel onverwoestbaar -meestal dan toch- is de liefde voor ouders mischien wel de minst onbaatzuchtige van alle. Het is liefde vol natuurlijk eigenbelang. Probeer dat maar eens zuiver te krijgen met je pogingen tot bewustzijn. Nee, dan de zielen op straat. Al hun tekortkomingen vergeef ik ze, alle onhebbelijkheden van dit leven, alle vergissingen die ze begaan. Vele tweede kansen krijgen ze van me en ik kijk recht door hun eeltige buitenkant heen op een ziel met een huid van licht.

Die dingen denk ik op weg naar het postkantoor, in de zon tussen de ritselende blaadjes. En dan hoor ik de volgende stap al roepen. Want ik weet dat ik een blik die ik eenmaal heb ervaren, daarna overal op kan richten. Ook op de buurman, ook op opdrachtgevers, op vrienden, op mijn lief en mijn ouders. Ook op mezelf. En dan voel ik weer dat ene, dat oude bekende, van dat er iets prachtigs buiten mijn gezichtsveld is, voelbaar maar nog onzichtbaar, nét buiten handbereik en dan verheug ik mij en zet ik maar alvast een kleine stap.

Op de terugweg van het postkantoor fietst er een grote, blozende man voorbij op een fiets. Hij zingt een beetje pompompom. Ook hij kijkt verbaasd naar het glimlachen dat ik om mijn schouders voel zweven en knikt een groet. Hij houdt een grote zak kattenbakkorrels vast die op het stuur van zijn fiets ligt. Ik hoop dat hij op weg is naar de zwarte kat.

Pompompom.

10 oktober 2010

Impa en de kampeerspullen

'Waarom staat je gang vol met kampeerspullen?', vraagt Iedereen. 'Je was toch al weken terug van vakantie?' 'Weken?' zeg ik, vol ongeloof. 'Dat meen je niet. Hoeveel weken dan?' 'Twee', zegt Iemand. 'Je bent al ruim twee weken terug van vakantie.' Ik staar Iedereen aan. 'Ben ik echt twee weken terug van vakantie? Ik geloof er niks van.' Iedereen knikt verwoed. 'Echt waar. En je kampeerspullen staan nog steeds in de gang.' Iemand wijst aan. 'Tent, luchtbed, allemaal kookspullen. Campinggasjes, dekbed, luchtbedpomp. Stoelen. En daar liggen je slippers en bikini.' Ik frons. Ik snap er niks van. Iedereen roept: 'Je bent al heel lang terug en alles staat er nog!'

'Lang?' roep ik uit. 'Nou moet het niet mooier worden!' Iemand kijkt verschrikt op van de kampeerspullen en staart me aan. Mijn stem klinkt schril. 'Twee weken? Noem je dat lang? Weet je hoe lang het vóelt dat ik al terug ben?' Iedereen kijkt een beetje angstvallig mijn kant op. 'Nou?' Iemand haalt haar schouders op en schuift een lok haar achter haar oor. Iedereen doet een stapje achteruit. Ik zucht. 'Al maaaaanden', zeg ik zachtjes. 'Het voelt alsof ik al maanden terug ben.'

Ik kijk naar de kampeerspullen.

De vakantie is al maanden geleden.

Ineens begint Iemand de campingbordjes en het campingbestek in de grote tas te stoppen. 'Komt dat even goed uit!', roept ze. Iedereen kijkt mij triomfantelijk aan. 'Ja, perfect', roept Iedereen in koor. 'Je kampeerspullen staan nog in de gang.' Iedereen grijnst breed. 'Kun je zo weer!'

Impa en la douce France




04 oktober 2010

Impa en haar lief krijgen bezoek in de tent

Ik lag in de tent en ik was wakker. Waar was ik wakker van geworden? Ik luisterde. Buiten stroomde de rivier. Ik hoorde een zacht schrapend geluid, alsof er iets langs het tendoek bewoog. De haren op mijn armen stonden recht overeind. Ik stootte mijn lief zachtjes aan. In zijn slaap schoof hij een extra stuk dekbed naar me door, draaide zich om en sliep weer verder. Ik lag muisstil en hield mijn adem in. Er stonden geen andere tenten bij ons in de buurt en er liepen nooit mensen langs. Had ik het wel goed gehoord? Daar klonk het weer. Nu wist ik het zeker. Ik gaf mijn lief een harde por. Hij vloog rechtop in bed. 'Wat?', riep hij verwilderd. Voor ik iets kon zeggen, werd de rits van de voortent met één lange haal opengetrokken. Ik gilde. Er klonk gestommel, de stapel afwas in de voortent viel om en ik hoorde gegrom. Toen werd de tent weer dichtgeritst. Een luid ademhalen klonk uit de voortent. Mijn lief en ik zaten als aan ons luchtbed genageld. Langzaam draaide ik mijn gezicht naar hem toe. Hij hield zijn blik op de rits van de binnentent gericht. Hij knipperde niet met zijn ogen. Langzaam boog hij voorover, naar het voeteneind van het luchtbed, en greep de zaklamp. In de voortent klonk ademhaling en het geritsel van papier. Mijn lief keek over zijn schouder naar me om en wees naar de rits van de binnentent. Ik knikte en schoof langzaam naar voren op het luchtbed. Hij hield de zaklantaarn in de aanslag en telde met opgestoken vingers geruisloos tot drie. Bij de derde vinger ritste ik de tent met een ruk open en scheen hij met de lamp in de voortent.

Een gigantische spin zat dubbelgevouwen op het grondzeil. Hij stak met zijn pokdalige achterlijf in de koekenpan en raakte met zijn kop het zeildoek in de nok van de tent. Zeven van zijn poten zaten driedubbelgevouwen tussen de tentstokken en het tentdoek. Met de achtste probeerde hij zijn ogen af te dekken, die alle acht verwoed knipperden tegen het felle licht.

Ik probeerde weer te gillen, maar slaakte een beetje een gek kreetje. Ik voelde een vreemde slapte die in mijn achterhoofd begon en zich daarvandaan door mijn hele lichaam verspreidde. Ik bleef maar zo'n beetje zitten. Naast mij had mijn lief geen last van slapte. Hij zat op het luchtbed en sloeg wild om zich heen.

Kennelijk was de spin inmiddels bekomen van de schrik. Hij knipperde niet meer met zijn ogen en keek heen en weer van mijn lief naar mij. Toen verscheen er een brede grijs op zijn gezicht. 'BON SOIR', loeide hij. 'C'EST MOI'. Mijn mond was door mijn acute slapte opengezakt. Ik probeerde hem weer dicht te doen, maar ik zei eerst nog: 'Wah'. Mijn lief hield langzaam op met om zich heen slaan.

Woesj! Er ritselde papier. De spin hield een handgeschreven brief omhoog. 'BONNES VACANCES', brulde hij. Het geluid leek wel diep rommelend uit de aarde omhoog te komen. Hij smakte het papier met een razendsnelle beweging op het luchtbed in de binnentent. Toen ritste hij met een van zijn achteroverdubbelgeklapte poten de voortent weer open, rolde met zijn achterlijf uit de koekenpan en schoof met al zijn acht harige poten en zijn grote kop de tent uit. Hij verdween in het donker. Het geluid van zijn trippelende poten was nog heel even te horen en stierf toen weg. Verderop ruiste de rivier. Het was windstil.

Bonjour neef

De mensenvrouw komt jouw kant op. Je weet wel. Pas je een beetje op haar? Ze kan soms een beetje onnozel naar je staan kijken, maar het is geen kwaaie. Heeft me ooit nog vliegen gevoerd, voordat ik binnen ging wonen. Van die lekkere zwarte. Echte zoemers. Half levend, half dood. Zuig je zo leeg. Anyway, ze heeft haar man ook bij zich. Niet opeten, want dat alles één is, dat geldt voor mensenvrouwen alleen als het ze uitkomt. De rest van de tijd hechten ze nogal aan hun stoffelijke vrienden.

O, en kun je een beetje zachtjes praten? Ze hebben ze hier niet zo groot als jij.

Binnenkort weer eens abseilen in de Ardennen?
Je neef (Groningen)

Wat voorafging: Impa is één en Impa is één (2)