30 augustus 2010

Impa is één (2)

Er stond een witte kip in de tuin. Groot genoeg om kip te zijn, maar klein genoeg om ook nog wel voor uit de kluiten gewassen kuiken door te kunnen gaan. Het was een soort puberkip. En zo te zien had hij hele slechte manieren, want hij stond in mijn tuin een beetje mijn spullen op te eten. Een hangkip, zeker. Die maar doet waar hij zin in heeft. Toen de kip mij zag, keek hij mij even aan en peuzelde toen rustig verder. Ik zag dat hij al een mooi lapje grond had losgekrabt en kaalgevreten. Stond geen sprietje meer. Ik vreesde het ergste voor de zaadjes die ik daar had gestrooid. Vingerhoedskruid, vooral. Bloemen die een beetje tegen schaduw kunnen. Want die hangmat van mij moet natuurlijk wel ergens aan hangen en dus staan er een paar bomen in mijn tuin. Het valt alleen niet mee om op de beschaduwde grond iets te laten bloeien en ik had voor volgend voorjaar mijn hoop gevestigd op vingerhoedskruid. 'Hé', zei ik. 'Wat moet dat hier?' De kip trok een wenkbrauw op en stopte even met kauwen. 'Ach, man, maak je niet zo druk', zei hij met volle mond. Bij het woord 'zo' sproeide hij kleine stukjes pissebed.

Druk? Ik? Mijn tuin! Mijn plantjes! Mijn zaadjes en bolletjes en kiempjes die nu nooit het levenslicht zullen zien! Druk? Ik werd woest. Ik dacht goed na over wat ik tegen de kip zou zeggen. Ik probeerde een helder en verantwoordelijk antwoord te verzinnen. Ik probeerde toeschouwer te worden van mijn woede zodat ik niet uit boosheid zou handelen, want dat zou dan waarschijnlijk iets worden met luchtbuks en galg en knakkend nekje. Ik wilde op heldere en verantwoordelijke manier communiceren.

Opeens zette de kip grote ogen op. Hij slikte het hapje dat hij in zijn snavel had door en deed langzaam een stap achteruit. Snel probeerde ik mezelf te corrigeren. Hier stond ik dan, na te denken over helder en verantwoordelijk communiceren, terwijl er ondertussen stoom uit mijn oren kwam. Had ik ook al ongemerkt gebriest? De kip bleef kijken, maar begon zich ondertussen langzaam om te draaien. Ik haalde adem om iets te zeggen. Ik bedacht me dat ik de kip misschien een beetje gerust moest stellen, want hij zag er doodsbang uit. De kip begon te lopen. Eerst langzaam, en toen vliegensvlug. Ik wilde 'Kip' roepen, maar riep 'Tok'. Opeens schoten er een paar enorme, zwarte poten van ergens achter mij naar voren. Ze gingen zo rakelings langs me heen dat ik voelde hoe een lichte bries mijn nekharen overeind zette. Razendsnel vloog er een zwarte schim door de tuin en vlak voordat de kip onder de schutting door kon rennen, verdween hij in één hap tussen de kaken van een gigantische, harige spin. Het duurde maar een paar seconden, toen was er van de kip niets meer te bekennen. De spin keek om en grijnsde. Hij likte zijn lippen af, veegde met één van zijn acht poten zijn bek droog en knikte naar me. Ik kon me niet verroeren. Stokstijf en met open mond keek ik toe hoe hij in de hangmat ging liggen. Hij liet een boer en zei: 'Alles is één.'

28 augustus 2010

20 augustus 2010

Impa is één

In de woonkamer zat een hele dikke spin. Zijn poten waren per stuk een meter of twee. De spin zat in mijn lievelingsfauteuil en stak net een sigaret op. Ik vroeg: 'Moet dat nou?' Zonder zijn kop te bewegen, richtte hij twee van zijn acht ogen op me. Drie andere hield hij gericht op de aansteker, want zo'n vlam in je behaarde fikken kan nog best link zijn, en met de laatste drie keek hij naar het bovenraampje waar een vette vlieg zich hardnekkig tegen het glas te pletter zoemde. 'Wat?' Zei hij. 'Roken', zei ik. 'En in mijn lievelingsfauteuil zitten.'

Ik had me een paar dagen geleden al hardop afgevraagd waar hij was gebleven. Hij woonde altijd onder de stapel stenen in de tuin, waar ik hem soms vliegen voerde. Ik had al lachend tegen mijn lief gezegd dat hij er zeker te groot voor was geworden, voor dat hol onder die stenen.

Razendsnel stond de spin op en rende vlug een stuk door de kamer naar me toe. Dat doen ze, die modderfokkers. Dat is juist het probleem met spinnen, dat je nooit met ze kunt afspreken dat ze een beetje overzichtelijk op dezelfde plek blijven zitten. Op een paar meter afstand bleef hij staan en bewoog zijn kaken een beetje heen en weer. Hij nam een trekje en gooide toen de sigaret achteloos in een hoek. 'Je hebt gelijk', zei hij. 'Onbeleefd. Neem me niet kwalijk.'

Ik was wel even geschrokken toen ik hem daar aanvankelijk had zien zitten, maar toch was ik niet bang. Vroeger wel. Vroeger had ik gegild, getrild en ergens anders heen gewild. Nu bekeek ik hem nog eens goed en vond ik hem eigenlijk wel mooi. Ik hou namelijk wel van beharing bij mannen. Bovendien ben ik niet meer bang voor spinnen sinds ik heb verzonnen dat alles één is. Ik ben dus zelf die spin, als het ware. Het nadeel was nu wel dat ik dan ook zowel de vette vlieg was als het raam waartegen hij zich te pletter vloog, maar daar stond ik voor het gemak nu even niet bij stil.

De spin maakte aanstalten om door de tuindeuren weg te gaan. We keken elkaar nog één keer aan en probeerden er allebei toch een beetje superieur vanaf te komen. Ik vond dat hij wel een voorsprong had, met die acht ogen van hem, maar toch keek ik volgens mij ook behoorlijk mean en waardig tegelijkertijd. 'Pas maar op in de tuin', zei ik. 'De buurman heeft kippen. En alles is één, dus ik ben ook de tuin, de buurman en de kippen. En als je niet oppast, zeg ik één keer tok en dan peuzel ik je op.' De spin haalde z'n acht schouders op en liep langs me heen naar buiten. Heel snel. Want dat doen ze, die modderfokkers. Zo zijn ze.

12 augustus 2010

Impa en de Nijmeegse Vierdaagse

Of: Impa maakt reclame voor verwondering

'Ziet er goed uit, mevrouw! Hou vol!' Mijn lief zit naast me in de auto en zet een hoog stemmetje op. 'Nog een klein stukje, meneer!' Tussendoor grijnst hij naar me. 'U bent er bijna! Hou vol! Ziet er goed uit!' gaat het hoge stemmetje. Hij doet alsof hij het uit het raam naar voorbijgangers roept.

Hij doet mij na.

Van toen ik bij de Nijmeegse Vierdaagse was. Want ik ging op de derde dag van de vierdaagse nietsvermoedend voor het eerst van mijn leven langs de kant van de weg staan, op een rustig stuk straat vlak voor het einde van de route, toen de mensen de moed nog niet verloren hadden maar het al wel heel, heel zwaar hadden. Ik keek naar die mensen, zo vrolijk en vastberaden, die voorbij marcheerden of strompelden, zingend, verkleed of met tranen die ze van de pijn over hun gezicht stroomden en ik voelde me tot mijn stomme verbazing opgetogen en blij. En zo liefdevol.  En ik wilde ze ineens eigenlijk allemaal persoonlijk aanmoedigen. Dus ik klapte en riep en floot en lachte en zwaaide dat het een aard had en ik zag hoe het de mensen goed deed dat wij daar stonden langs de kant van de route en hoe mooi al die mensen waren en hoe fijn het in Nijmegen was en toen zat ik zomaar ineens vast in een episode van algehele levensvreugde.

'Ziet er goed uit, mevrouw! Hou vol! Nog een klein stukje, mannen!' Naast me op de stoeprand zat mijn lief. Hij zweeg. En ik voelde hoe hij daar zat en dat hij blij was met die uitbundige vrouw naast hem, die zoveel geluid maakte en alle mensen wel wilde ontmoeten en die zo vaak zo anders is dan hij. Hij keek en lachte en klapte zwijgend mee. En in de dagen die volgden, deed hij mij af en toe plagend na, met een hoog stemmetje. 'Ziet er goed uit, mevrouw! Nog een klein stukje!'

Maar die Vierdaagse is al weken geleden. Hoe kom ik daar nu bij? Door het nieuwste Retourtje Verwondering van Yvette van der Aa. En het stukje dat ze erover schreef op haar blog. En omdat  daardoor de hele blije handel opnieuw begon te bubbelen van binnen; die rare, blije sfeer van ontroering en vreugde en saamhorigheid in Nijmegen die ik nooit had kunnen vermoeden als ik er niet bij was geweest.


Yvette kent u van de mobiele Verwonderwinkel. En van alle andere prachtige dingen die ze doet.  

Het leven is vol moois, mensen.

Gaat heen en verwondert u. 

08 augustus 2010

Impa wenst u een lach

Op zondagochtend rol ik na het mediteren gewoon mijn bed weer in. Na de discipline van het steeds (en steeds, en steeds, en steeds...) opnieuw van gedachten- liefdevol- terugkeren naar stilte en ademhaling, is het nu tijd voor... genot. Met groene jasmijnthee, bruin brood met oude kaas, oranje sap, donkere chocola en een schaaltje romige, gele, zoete, zachte, fingerlickin' (kreun) sojayoghurt met vanille klap ik de laptop open en zoeft er pardoes een goedemorgenmailtje van mijn lief mijn slaapkamer in. Hij stuurt me een linkje om me te laten lachen, en het werkt. Hoe vaker, hoe lacher.

05 augustus 2010

Kijken doe je met je ogen, zien met je hart

Mijn lief is jarig. Ik heb tussen de spulletjes van mijn moeder twee tubes drukinkt gevonden en wil een linosnede maken. Ik teken een vlieger met een wervelende staart vol strikken en snijd de tekening uit de bovenste laag van een klein stukje linoleum. Ik heb thuis geen drukpers dus ik leg een vel papier op het met inkt ingerolde stukje lino en wrijf er stevig overheen met de bolle kant van een houten lepel. De inkt komt er dik vanaf, veel te vet, maar dat maakt niet uit. Alle afdrukjes zijn anders en bij andere exemplaren tekent de afbeelding zich fijner af maar lijkt de grijswaarde van de dunnere laag inkt wel een slechte fotokopie. Ik druk de vlieger af in okergeel, de enige kleur die ik heb naast het zwart. De strikken zijn het wit van het papier en tekenen zich in de prent af tegen een zwarte hemel. Het is een vlieger van licht en ook al is het een beetje een onhandige poging, ik ben toch best in mijn nopjes met het printje.

Ik brand voor mijn lief een schijfje met nummers uit mijn cd-verzameling. Af en toe geef ik hem zo'n cd'tje voor al die uren dat hij uit Nijmegen naar me toe komt rijden. Hij zal het pakje wel meteen herkennen aan de vorm, maar dat maakt niet uit. Een mens kan nooit genoeg mooie muziek hebben. Ik maak voor het cd-hoesje een omslag van bruin papier en plak de linoleumsnede van de vlieger op de voorkant. Het okergeel van de vlieger kleurt mooi bij het bruine papier. Ik pak hem in met wit papier, schrijf er met een dikke stift felicitaties en veel zoenen op en bind er een oranje strik met krullen omheen.

Op de vooravond van zijn verjaardag slaap ik bij mijn lief. Als zijn wekker 's ochtends gaat, zet ik koffie, tover ik een geheimgehouden aardbeiengebakje uit de koelkast en leg ik het cadeautje erbij op een dienblad. Ik steek drie kaarsjes aan op het kleine taartje en serveer hem zijn ontbijt als een eilandje van licht in het donker van zijn slaapkamer.

Hij lacht en gaat rechtop in bed zitten. Hij kijkt naar het cadeautje, herkent de vorm en maakt een grap. 'Is het een vlieger?'