10 augustus 2007

De overbuurman

Mijn buren van de overkant groeten me nooit, ook al wonen we al jaren in dezelfde straat. Als ik in het voorbijgaan al oogcontact met ze heb, duurt dat nooit langer dan een fractie van een seconde. In het begin zei ik wel eens stomweg hoi tegen bekende overburen, maar daar heb ik zo vaak niks op teruggekregen dat ik er maar mee opgehouden ben. Ik heb altijd het gevoel gehad dat het ermee te maken heeft dat de mensen aan de overkant in nette eensgezins-koopwoningen wonen, en ik in een gebouw vol kleine flats. Zij hebben een tuin en beeldige kindertjes en ik heb een bonte verzameling kleurrijke flatgenoten: van studenten en alleenstaande werkenden tot junks en gekken. Een aantal daarvan is flink asociaal, maar ik vraag me af of het ooit in mijn overburen is opgekomen dat ik daar meer last van heb dan zij. Volgens mij word ik niet gegroet omdat ik in de flat woon. Aan de verkeerde kant van het spoor, zeg maar. Ik kan zo vaak hallo zeggen als ik wil, ik kan jaarlijks met collectebussen aan de deur komen of hun kinderen oprapen als die van hun fiets gevallen zijn: wat ik ook doe, ik word niet beoordeeld op m’n gedrag maar op het stigma van mijn woonomgeving. Ik heb me maar neergelegd bij het klassenverschil dat er in onze straat kennelijk moet zijn.
Op een dag kwamen in een van de huizen tegenover mijn flat nieuwe mensen wonen. Tot mijn stomme verbazing groette de vader van het gezin me de eerste keer dat we elkaar tegenkwamen. Sindsdien wisselen we regelmatig een paar zinnen. Hij zwaait altijd naar me als hij me ziet lopen. Toen hij een keer met z’n oudste zoon z’n auto vol stond te laden met spullen voor de koninginnemarkt, knoopte ik een praatje met hen aan. Ik kreeg een prachtige asbak van aardewerk. Omdat ik zijn buurvrouw was, zei hij. Ik kwam hem een keer in de stad tegen toen ik met vrienden op stap was. Hij sprak me aan bij de bar en bood me een biertje aan. We hebben een hele tijd staan praten. Over werk, opleiding, kinderen, ons land. Eén opmerking is me heel sterk bijgebleven, vooral door de vermoeide berusting die doorklonk in zijn stem. “Ik wil zo graag gezien worden als mens, en niet alleen als Marokkaan.” Ik begrijp een heel klein beetje hoe hij zich voelt. En hij verdient het als geen ander om niet beoordeeld te worden op z’n afkomst, want hij is tussen al die ‘fatsoenlijke’ blanke Nederlanders de enige die zonder vooroordeel glimlacht naar de mensen aan de overkant van het spoor.

3 opmerkingen:

Blogmos zei

Jullie zitten gelukkig op het juiste spoor, dender lekker verder zonder eerste- en tweedeklas plaatsen.

Rosalie zei

Hey Impa. Ja, ik ben dus weer terug in blogland. Ik ga snel al je stukjes ff lezen. Deze column is al weer heel herkenbaar. Groetjes Rosalie

Tas zei

Wow, mooi!