30 augustus 2007

Echt gebeurd

Uit mijn speakers klonk Doris Day van Doe Maar. Precies op het moment dat ze zongen: "Hé, er is geen bal op de tv" sprong in de hoek van mijn kamer de televisie uit zichzelf aan. Er verscheen sneeuw op het scherm.

Impa schildert (2)


Takkie, 10 × 10 cm.

29 augustus 2007

De verrassing van M.

In de supermarkt kwam ik een oude bekende tegen (M.) met zijn zoontje (ook M.). Ze hadden een klein karretje bij zich, een soort plank op wieltjes. Mijn vraag of dat een zelfgemaakt skateboard was, sloeg de plank (op wieltjes) kennelijk volledig mis. Kleine M. sloeg zich theatraal op z’n voorhoofd, draaide met z’n ogen en riep “Het is een hond”.
Goed. Misschien ligt het aan mijn kennis van karretjesterminologie, maar van die vraag was ik dus niets wijzer geworden. Volgende vraag. “Wat zijn jullie aan het doen?” Grote M. glimlachte breed. Hij zei: “We hebben de bank weggegooid.” Ik trok onmiddellijk de veel te voorbarige conclusie dat ze een nieuwe bank hadden gekocht, maar hij zei van niet. “De oude bank was helemaal verrot. Mijn vrouw klaagde altijd dat er een kuil in zat en dat de veren er aan de onderkant uitkwamen. Toen dacht ik: Laat ik haar nou eens verrassen. Dus als ze straks thuiskomt uit haar werk, is die kapotte oude bank weg." Hij straalde. Kleine M. was op z’n hond gaan zitten en meldde dat het tijd was om te gaan.

28 augustus 2007

Impa gaat op onderzoek uit

Iemand zette een cd op met snurkgeluiden. Ik vroeg me nog wel even af waarom eigenlijk, maar vond het ook wel grappig. Tot ik er wakker van werd. Dat het geen gesnurk was van iemand die naast me lag, dat klopte wel. Er lag namelijk ook niemand naast me. Maar het bleek ook geen cd te zijn. Hier moest ik even over nadenken, en dat viel niet mee zo midden in de nacht. Ik logeerde bij m'n vader, maar die kon het niet zijn. Hij sliep een verdieping lager en ik kon hem daar nooit gehoord hebben. Maar ik was toch echt wakker geworden van snurkgeluiden, en niet zulke zachte ook. Ik stapte uit bed en deed de deur van m'n slaapkamer open. Er lag een rond hoopje vacht op de gang. Rood en opgerold, met snorharen. Het lag tevreden te slapen op de zachte vloerbedekking en snurkte naar hartelust. Ik heb de deur weer dichtgedaan en ben snel teruggeslopen naar m'n bed. Als je geen geliefde hebt die je ‘s nachts tegen z’n hoofd kunt duwen om z’n geronk, is er maar weinig zo troostrijk als een snurkende oude kater voor je slaapkamerdeur.

22 augustus 2007

Impa fopt haar lichaam

Ik sta eens in de week om 04.00 uur op voor m'n werk (dank u, dank u, uw applaus is oorverdovend). Het geheim daarvan schuilt in de voorbereiding. Je moet opstaan en vertrekken zonder erbij na te hoeven denken: dan gaat er niks mis omdat je er zo vroeg nog niks van snapt en bovendien fop je zo je lichaam. Dat staat dan buiten voordat het zich goed en wel realiseert dat de dag al begonnen is en krijgt niet de kans zichzelf zielig te gaan vinden. Dat werkt zo:
04.00 uur: wekker uitzetten. Benen over rand van bed. Gaan staan. Ogen opendoen. Naar keuken lopen. Knop van elektrisch fornuis aan onder klaargezet keteltje. Doorlopen naar douche. Douchen. Afdrogen. Klaargezette tutspullen toepassen: crème, deo, parfum, poeder, mascara, kam, oorbellen (een voor een, anders wordt het een smeerboel). Teruglopen naar keuken. Fornuis uit. Kokend water op theezakje gieten in klaargezet kopje. Doorlopen naar stapeltje klaargelegde kleren. In volgorde aantrekken: ondergoed, broek, shirt, trui, sokken, schoenen, jas (Die volgorde is van belang. Een beha over je jas zit niet lekker). Tas grijpen die al klaarstaat. Op weg naar buiten een paar slokken hete thee nemen. Deur op slot draaien, in de auto stappen. 04.20 uur: Impa is op weg!
Na een lekker potje muziek op een lege snelweg en een kopje koffie bij aankomst is mijn dag om 05.00 uur in volle gang. Geloof het of niet, maar daar krijg ik dus een beregoed humeur van. En met een beetje geluk krijg ik bij de eerste klus van de ochtend een prachtige zonsopgang cadeau.

20 augustus 2007

Impa pinkt een traan weg om een egel

Mijn vader reed nietsvermoedend zijn straat uit, toen er voor hem op de weg opeens een milkshakebeker verscheen die verwoed rondjes draaide. Omdat mijn vader de domste niet is en zich realiseerde dat je papieren bekers dat normaal gesproken niet ziet doen, stapte hij uit om poolshoogte te nemen. De beker bleek aan de open kant helemaal volgestopt te zitten met egel. Het beest had z'n kop erin gestoken en kon er niet meer uit omdat zijn stekels aan de binnenkant bleven steken achter de rand. Het enige wat hij nog kon, was ermee achteruit lopen. Wie weet hoe lang hij er al mee had geworsteld? Ik pinkte een traan van mijn wang en keek mijn vader hoopvol aan. Hij vervolgde zijn verhaal: "Ik overwoog of ik hem zou bevrijden of dat ik het maar zo zou laten." In de korte stilte die volgde, hoorde ik een dof gerommel, gevolgd door een zware dreun. Bam. De aarde trilde. Mijn vader was van zijn voetstuk gevallen. Het besef schoot door me heen dat mijn bloedeigen pa in staat scheen met droge ogen een in een beker vastgeklemde egel achteruit rondjes te laten draaien op straat tot het beestje zou bezwijken van uitputting en wanhoop. Hij zag het in ieder geval als optie. Was hij een sadist? Had ik me dan al die tijd in hem vergist? Toen vaderlief net lang genoeg had gezwegen om de blik van schok en ongeloof op mijn gezicht te zien verschijnen, zei hij lachend: "Ik heb hem bevrijd. En als eerbetoon heb ik de bocht in onze straat 'De bocht van de gelukkige egel' gedoopt." Ik overwoog of ik hem zou stompen of dat ik het maar zo zou laten.

18 augustus 2007

Het is maar goed dat ik geen brede wielen heb

Aan het eind van de zomer zie je overal slordige vogels. Vooral bij kraaien en eksters valt het me op. Die zijn deze zomer uit het ei gekropen en nog niet helemaal af. De helft van hun veren zit in de war en de andere helft niet, alsof ze thuis een pot gel hebben voor een net-uit-je-nestlook. De ene helft van hun veren is pluizig en de andere helft normaal. En er is ook iets met hoe ze doen. Het lijkt wel alsof ze dronken zijn, want ze kunnen steeds niet kiezen of ze nou moeten hippen of of vliegen en alles wat ze doen, lijkt onbeholpen. Soms vraag ik me af waarom een ogenschijnlijk volwassen vogel ergens zo lang niks zit te doen en stompzinnig lawaai zit te maken, en dan komt er een net iets grotere vogel zonder punkveren om de puber mee te nemen, een boom in. Of ik kom eraan fietsen en dan zie je ze gewoon denken dat er iets moet gebeuren. Dan worden ze door hun instinct gealarmeerd over naderend gevaar, maar uiteindelijk door gebrek aan ervaring en inschattingsvermogen verleid tot een of ander halfslachtig hopje. Alleen dan net niet helemaal tot aan de rand van het fietspad. Het is maar goed dat ik zo vogellievend ben. Of dat ik geen hele brede wielen op mijn fiets heb. Precies zo breed als het fietspad, bijvoorbeeld.

16 augustus 2007

Klikkerdeklik

Als je je 's nachts in je slaap omdraait door op 'omdraaien' te klikken, zit je dan te veel achter de computer?

15 augustus 2007

14 augustus 2007

De tiende dimensie uitgelegd

Als kind wilde ik Hoofdirecteur van Politie worden. Omdat m’n vader dat was. Tenminste, dat dacht ik. Ik kon het verschil niet onthouden tussen ‘directeur’ en ‘inspecteur’. Op de middelbare school had ik verzonnen dat ik Egyptologe of hertenkamphoudster wilde worden. Het eerste uit opstandigheid, gewoon om een studie te kiezen die mijn ouders qua loopbaanperspectief aan het fronsen zou maken, en het tweede omdat iedereen daarom lachte op feestjes. Nu dient zich een nieuwe, wonderschone roeping aan. Het is tijd voor een verandering van carrière. Dat komt zo: iedereen weet hoe volslagen briljant ik ben. Ik weet het aardig te verhullen omdat ik heel bescheiden ben en vaak met hele gewone mensen praat, maar eigenlijk ben ik zo geniaal dat ik het soms zelf niet meer helemaal kan volgen. Daarom heb ik besloten dat er voor mij nieuwe horizonten gloren in de fysica, en dan in het bijzonder de cosmologie en quantummechanica. U weet wel. Van de sterren, het heelal, de dimensies en Einstein, enzo. (Wat klinkt dat goed, hè? Als ik de dingen even verduidelijk voor leken?) Om u niet helemaal achter me te laten in m’n persoonlijke versnelling van de algemene vaart der volkeren, leek het mij verstandig als u ook eens nadacht over, bijvoorbeeld, de dimensies. En dan niet alleen de eerste vier lullige dimensietjes, want die kennen we allemaal. Even flink zijn en doorgaan tot de tien. Helaas heb ik nu geen tijd om het u geduldig en duidelijk uit te leggen (Ik ben bezig met het afronden van mijn eerste boek: Het effect van transdimensionale theorie op interstellaire ruimtebuiging, en ik ben gevraagd voor een leerstoel aan de faculteit Natuur- en Sterrenkunde). Daarom verwijs ik u even naar de website Imagining the Tenth Dimension, waar we ons aan de hand van een animatie en ‘gewone mensentaal’ de tien dimensies proberen voor te stellen. Niet sip zijn als u het niet meteen helemaal snapt, hoor. We kunnen niet allemaal zo briljant zijn als ik.

10 augustus 2007

De overbuurman

Mijn buren van de overkant groeten me nooit, ook al wonen we al jaren in dezelfde straat. Als ik in het voorbijgaan al oogcontact met ze heb, duurt dat nooit langer dan een fractie van een seconde. In het begin zei ik wel eens stomweg hoi tegen bekende overburen, maar daar heb ik zo vaak niks op teruggekregen dat ik er maar mee opgehouden ben. Ik heb altijd het gevoel gehad dat het ermee te maken heeft dat de mensen aan de overkant in nette eensgezins-koopwoningen wonen, en ik in een gebouw vol kleine flats. Zij hebben een tuin en beeldige kindertjes en ik heb een bonte verzameling kleurrijke flatgenoten: van studenten en alleenstaande werkenden tot junks en gekken. Een aantal daarvan is flink asociaal, maar ik vraag me af of het ooit in mijn overburen is opgekomen dat ik daar meer last van heb dan zij. Volgens mij word ik niet gegroet omdat ik in de flat woon. Aan de verkeerde kant van het spoor, zeg maar. Ik kan zo vaak hallo zeggen als ik wil, ik kan jaarlijks met collectebussen aan de deur komen of hun kinderen oprapen als die van hun fiets gevallen zijn: wat ik ook doe, ik word niet beoordeeld op m’n gedrag maar op het stigma van mijn woonomgeving. Ik heb me maar neergelegd bij het klassenverschil dat er in onze straat kennelijk moet zijn.
Op een dag kwamen in een van de huizen tegenover mijn flat nieuwe mensen wonen. Tot mijn stomme verbazing groette de vader van het gezin me de eerste keer dat we elkaar tegenkwamen. Sindsdien wisselen we regelmatig een paar zinnen. Hij zwaait altijd naar me als hij me ziet lopen. Toen hij een keer met z’n oudste zoon z’n auto vol stond te laden met spullen voor de koninginnemarkt, knoopte ik een praatje met hen aan. Ik kreeg een prachtige asbak van aardewerk. Omdat ik zijn buurvrouw was, zei hij. Ik kwam hem een keer in de stad tegen toen ik met vrienden op stap was. Hij sprak me aan bij de bar en bood me een biertje aan. We hebben een hele tijd staan praten. Over werk, opleiding, kinderen, ons land. Eén opmerking is me heel sterk bijgebleven, vooral door de vermoeide berusting die doorklonk in zijn stem. “Ik wil zo graag gezien worden als mens, en niet alleen als Marokkaan.” Ik begrijp een heel klein beetje hoe hij zich voelt. En hij verdient het als geen ander om niet beoordeeld te worden op z’n afkomst, want hij is tussen al die ‘fatsoenlijke’ blanke Nederlanders de enige die zonder vooroordeel glimlacht naar de mensen aan de overkant van het spoor.

09 augustus 2007

Impa schildert


Wandelende Takkie, 10 × 10 cm.

08 augustus 2007

Nick Hornby

Nick Hornby heeft ooit met zijn 4e roman A Long Way Down (2005) mijn hart gestolen. Iets aan zijn manier van schrijven vind ik onweerstaanbaar. Ik weet niet precies wat dat is. Ik geloof z’n combinatie van lichtvoetigheid en een soort melancholie. Dat klinkt tegenstrijdig, maar dat is het niet. Met lichtvoetigheid bedoel ik z’n manier van schrijven, waardoor je maar blijft lezen met het grootste gemak, en de humor in zijn verhaal en taalgebruik. Met melancholie bedoel ik dat zijn romans getuigen van een ongelooflijk inzicht in de mens en al haar gedragsmechanismen, en in het menselijke lijden. En die combinatie vind ik onweerstaanbaar. Hij maakt me aan het lachen en wat hij schrijft is vaak zo herkenbaar dat ik hem er soms van verdenk dat hij het met God op een of ander akkoordje over de algehele waarheid heeft gegooid. Dat Hornby dan het ultieme inzicht in de menselijke aard zou krijgen, en God... Nou ja, wat God ervoor in ruil van Nick heeft gekregen zou ik niet weten, maar God heeft vast ook ergens behoefte aan. Laat ik me daar maar even niet aan wagen.
Na A Long Way Down
heb ik ook How To Be Good en About A Boy
gelezen, met hetzelfde plezier maar op een of andere manier met minder interesse. Misschien spraken de thema’s me op dat moment even minder aan, of de personages. Of misschien vond ik het wel gewoon minder goede boeken. Deze week was het de beurt aan High Fidelity (2000). Ik heb het verslonden. Gelachen en gehuild. Het thema was deze keer heerlijk relevant. Liefde en muziek. Dertigers met een gebroken hart. De balans opmaken, afleiding zoeken, opkrabbelen, doorgaan. Met als kers op de taart regelmatig hardop lachen tijdens het lezen. Doe mij snel nog zo’n boek! Voordat mijn liefdesverdriet weer afzakt.