19 april 2007

Redder

Hij had een gereedschapskist en was een stuk. Of zelfs een Stuk, met stoer-ambachtelijke uitstraling. Werkmanskleding, smalle heupen, brede schouders, gespierde rug. Eerst dacht ik dat het een soort Griek was, maar hij bleek plat Utregs te spreken. En hij kwam mij Uit De Brand Helpen.
Als het nou een echte brand was geweest, had ik een brandweerman gekregen, en die zijn ook niet te versmaden. Ik ben ooit ‘s nachts wakker gemaakt door een huisgenote omdat het huis vol rook stond. We moesten buiten in onze pyjama en winterjas op de brandweer wachten. Buurvrouw T. van beneden rende het rokende huis weer in om snel nog even lippenstift op te doen. Die snapte dat, van die onversmaadbaarheid van brandweerlieden. Zo stonden we even later met een hond, twee vogeltjes en een rat buiten te bibberen toen de brandweer kwam. Ze doemden op aan het einde van de verlaten straat, silhouetten in de ochtendmist. Ze droegen zware pakken, helmen en handschoenen en ik zou zweren dat ze in slow-motion liepen, waarbij iedere stap echode tussen de huizen. Toen niet veel later de smeulende brand geblust was, het gevaar geweken en alle vrouwen en dieren gered, heb ik met mijn twee huisgenotes nog tot zonsopgang beerenburgjes zitten drinken in de keuken, voor het open raam. We moesten er helemaal van bijkomen, van die brandweermannen.
Vandaag was mijn held van de dag slotenmaker. Vriendin M., die in mijn flat woont zolang ik in het huis van de leenpoezen zit, had de deur achter zich dichtgetrokken en de sleutel aan de binnenkant in het slot laten zitten. De sleutelreparatieman probeerde de deur eerst open te maken met een soort plastic kaart, waarbij hij steeds harder aan de deur trok en rammelde. Het zweet stond hem op het voorhoofd. Hij trok z’n trui uit, z’n T-shirt plakte aan z’n onderrug. De inbraakpoging mislukte, dus hij belde een collega. Hij moest een zeker zwart koffertje hebben om de cilinder uit het slot te halen. Een koffertje, zo vertrouwde hij me later toe, waarmee dat heel makkelijk zou zijn. Zo makkelijk zelfs dat hij er buiten werktijden niet eens mee rond mocht rijden omdat dat strafbaar was. “Ja,” zei hij tegen z’n collega, “ik kan de deur ook wel intrappen, maar het is juist zo’n leuk vrouwtje. Dat zou jammer zijn.” Hij lachte naar me. Ik vroeg me nog even af waarom mijn emancipatie-alarm niet afging, maar besloot te blozen en het er verder bij te laten. De sleutelman stak de hand met z'n trouwring in z’n zak.
Terwijl ik met vriendin M. buiten stond te wachten op het Zwarte Koffertje, liep hij de flat weer in met een speciaal gevouwen ijzerdraadje voor een hernieuwde inbraakpoging. Het was hem tot nu toe altijd gelukt, zei hij ondeugend. Hij was zo’n beetje de inbreker van de technische dienst, zei hij jongensachtig. Even later zagen we vanaf de straat mijn gordijn opzij schuiven, de balkondeur opengaan en de slotenmaakman triomfantelijk lachend naar buiten stappen. We hebben hem een applausje gegeven en daarbij schaamtelooos kreetjes geslaakt, gejoeld, gelachen en gekird. Daarna heb ik hem een held genoemd. Lang leve redders in nood.

Geen opmerkingen: