30 april 2007

Feestbeest

Elmo wil elke dag wel koninginnenacht!

29 april 2007

En geen titel ook

Humus gestaafmixerd, tomatensoep gaar geprutteld. Turks brood klaar voor in de oven, Griekse salade serveerklaar, Retsina staat koud. Dutje gedaan, huis opgeruimd, gasten komen over een half uur. Ik sta trappelend in de startblokken voor de Utregse koninginnenacht.
Maar! Nog geen blogstukkie geschreven. En ik doe het niet ook! U vermaakt zichzelf maar even, ik ga aan de wijn. Ik wens u een nacht met veel feest en zo min mogelijk oranje.

27 april 2007

Dennis

Misschien is een van de ergste dingen die mij ooit zijn overkomen wel dat ik héél even op vakantie ging en dat ze toen Dennis hebben doodgestoken. Dennis had tweeënhalf jaar op het plein gewoond en mijn hart gestolen. Net als dat van vele andere meiden. Eigenlijk wisten we allemaal dat hij een hopeloos geval was. Hij had een liefdeloze jeugd gehad en vele misstappen begaan. Hij had een zelfs een moord gepleegd. Maar iedereen wist toch dat hij toen geen andere keuze had gehad? En daar stond tegenover dat hij het lichaam had van een jonge god. We verdronken in zijn intense blik en zagen in zijn ogen dat hij ondanks de misdaden eigenlijk een verloren puppy was. Diep van binnen school een goed hart. Het wakkerde ons zorginstinct aan en een smachtend verlangen naar die armen van hem. Kon hij die maar even om ons heen slaan, verzuchtten we massaal. Dat hij onvoorwaardelijk van Sharon hield, stak niet eens. Het bevestigde alleen maar wat we allemaal al wisten: in deze ‘foute’ man school niet alleen kracht, maar ook Echte Liefde. We wisten heus wel waar we het over hadden. En ieder weekend zaten we er weer klaar voor. Met een fles wijn in de aanslag en de telefoon op standje stil. Alle afleveringen van een week op zondagmiddag achter elkaar. Twee uur Eastenders. Tot onze mooie wereld die noodlottige kerst van 2005 dus opeens instortte. Ik ben nog steeds niet echt over het verlies heen. Ik kijk nog iedere zondag, maar zonder Dennis zal het plein nooit meer helemaal hetzelfde zijn.
Ach, die blik van hem…
Zucht.

26 april 2007

Grimlach

Bij de benzinepomp staat er weer een. Zo'n wildvreemde man die zegt: “Lach eens, joh. Zo’n slecht humeur heb je toch niet?” Nou loop ik best vaak een beetje voor me uit te glimlachen hoor, ik ben ook de beroerdste niet. Maar waarom zou ik lachen naar een vreemde man als die me niet aan het lachen maakt en ik er niet mee wil flirten? Wat denkt zo’n type nou? Wil hij gewoon een leuk zomerdecor van wildvreemde, lachende vrouwen? Of denkt hij echt dat we de natuurlijke aandrang hebben de hele tijd tegen iedereen te glimlachen? En dat wie dat niet doet, een slechtgemutste bitch is die haar automatische glimlach moedwillig onderdrukt? Om hem te pesten? Terwijl ze het eigenlijk aan hem verschuldigd is spontaan naar hem te lachen omdat hij stomtoevallig bij haar benzinepomp staat als ze uit haar auto stapt?
En dan nog! Als ik al om een of andere absurde reden zou willen glimlachen naar alle vreemde mannen, ook al is er niets grappigs, ben ik met m’n gedachten ergens anders en heb ik er net een werkdag op zitten, dan kreeg ik dat lichamelijk gewoon niet voor elkaar. Weet je wel hoeveel mannen buiten rondlopen? Ik heb gewoon geen tijd om iedereen aan te kijken en vriendelijk toe te lachen. Bovendien hou ik dan geen kaakspieren over.
Ik kijk hem zo neutraal mogelijk aan. "Jij lacht toch ook niet?” “Ik lach de hele dag", zegt hij. “Ik zie er anders niks van”, zeg ik. Hij trekt meteen een grimas. “Maar dit is nep”, zegt hij erbij. Ik blijf hem aankijken en vraag: “Zal ik dan ook even nep lachen? Wil je dat graag?” Ik trek dezelfde wanstaltige grimas en draai me om naar m'n auto. De man loopt door naar z'n collega’s bij de ingang van het tankstation. Ik hoor de oudste van de twee tegen hem zeggen: “Doe eens normaal, joh. Ze hoeft toch niet de hele dag tegen iedereen te lachen?” De man krimpt een beetje. Ik begin medelijden met hem te krijgen.
Als ik ga afrekenen, loop ik langs de mannen. Ik zet mijn grimas weer op. De oudere collega zegt: “Van mij hoef je niet de hele dag te lachen hoor, daar lig ik echt niet wakker van.” Kijk, die snapt het tenminste. Ik glimlach en werp hem een kusje toe. “Dát kunnen we wel heel goed gebruiken”, lacht hij terug.

25 april 2007

Ke-loe-ie-foe

Cruijff is 60. Collega H. verbaasde zich over een Chinees die op televisie vol bewondering over de held sprak. Niet vanwege het onderwerp, maar door de taal waarin de man dat deed. “Dat die mensen dan gewoon dingen zeggen, he?” Ik begreep nog even niet waar hij heen wilde. “Over voetbal. Maar ook over serieuze dingen. Dan hoor je hai no chinzei chiao ho yin chang…” -hij trok er een gek gezicht bij en wiebelde met z’n hoofd- “en dan staat er in de ondertiteling gewoon: De Wereld Gezondheids Organisatie heeft vandaag een rapport gepubliceerd.”
Hij had gelijk. Van sommige talen valt gewoon niks te maken. Als je geen zinnen kunt onderscheiden en geen enkel woord kunt thuisbrengen, lijkt het bijna geen taal meer. En toch hebben ze het in die stroom geluiden over dezelfde dingen als wij. “Ja, dat die mensen tegen elkaar kunnen zeggen ‘zet de aardappels even op’ snap ik wel, maar ze zeggen dus ook gewoon: ‘Het begrotingstekort is afgelopen kwartaal met 10 procent gestegen.’ Dat is toch mooi?” Collega H. dacht er nog even tevreden over na en ging weer aan het werk.
Fransen kan ik nog wel volgen, als ze een beetje langzaam praten (wat helaas alleen voorkomt in parallelle universums waar je slechts naartoe kunt door een speciaal wormgat in het ruimte-tijdcontinuüm). Duits krijg ik soms zelf ook nog wel uit m’n mond. Spaans kan ik best een beetje lezen, als de letters maar groot genoeg zijn. Scandinavische talen zijn goed te volgen als je je ogen dichtdoet, zachtjes heen en weer wiegt en niet teveel waarde hecht aan begrip van de inhoud. Maar dan houdt het ook wel zo’n beetje op.
En daar komt dan tot overmaat van ramp nog eens bij dat veel talen zo worden uitgesproken dat je met je Westerse bekkie allerlei spieren verrekt waarvan je niet eens wist dat ze bestonden. Gelukkig blijkt dat universeel te zijn. In het Chinese item over Cruijff viel de naam van de Nederlander meerdere malen: in China heet de voetbalgod Ke-loe-ie-foe.

23 april 2007

Hondjepoesje

Een van de leenpoezen is eigenlijk een hondje (klik). Ze loopt je o-ve-ral achterna. Als je staat te douchen, schudt ze op het matje naast het bad de druppels uit haar snor. Als je zit te werken, zit ze naast je op tafel en legt haar kin op het randje van je laptop. Als je opstaat van de bank om iets uit de keuken te halen loopt ze met je mee, en ook weer mee terug. Als je op het toilet zit, draait ze spinnend om de pot. Het is om gek van te worden, vooral omdat je er de helft van de tijd bijna je nek over breekt. Maar lief! LIEF! Ik heb gisteravond voorzichtig met het baasje van de leenpoezen overlegd of er niet over een overdracht te praten viel, maar daar wilde ze niets van weten. Groot gelijk.

22 april 2007

Binnenbling

Mijn tante T. kan toveren. Ze is een zachtaardige vrouw met handen die wonderen doen voor je lijf en je ziel. Ze doet iets met je energie, waardoor dit eigenaardige leven vanzelf weer even op z’n plaats lijkt te vallen. Ze kookt voor me, maakt me aan het lachen en geeft me nieuwe kracht. Haar kinderen zijn sterk. Het zijn mooie mensen. Strijders en avonturiers.
Iedere keer als ik bij mijn tante kom om m’n batterij weer even op te laden, is m’n Nokia ook leeg. Die ligt bij haar altijd een paar uurtjes aan de oplader, tot hij er voorlopig weer even tegen kan. Als ik ’s avonds naar huis rijd, hebben Nokia en ik geen blingbling meer nodig. Alle kracht komt dan weer even van binnen.

20 april 2007

Handtas

Wat iedere vrouw in haar handtas zou moeten hebben.

19 april 2007

Redder

Hij had een gereedschapskist en was een stuk. Of zelfs een Stuk, met stoer-ambachtelijke uitstraling. Werkmanskleding, smalle heupen, brede schouders, gespierde rug. Eerst dacht ik dat het een soort Griek was, maar hij bleek plat Utregs te spreken. En hij kwam mij Uit De Brand Helpen.
Als het nou een echte brand was geweest, had ik een brandweerman gekregen, en die zijn ook niet te versmaden. Ik ben ooit ‘s nachts wakker gemaakt door een huisgenote omdat het huis vol rook stond. We moesten buiten in onze pyjama en winterjas op de brandweer wachten. Buurvrouw T. van beneden rende het rokende huis weer in om snel nog even lippenstift op te doen. Die snapte dat, van die onversmaadbaarheid van brandweerlieden. Zo stonden we even later met een hond, twee vogeltjes en een rat buiten te bibberen toen de brandweer kwam. Ze doemden op aan het einde van de verlaten straat, silhouetten in de ochtendmist. Ze droegen zware pakken, helmen en handschoenen en ik zou zweren dat ze in slow-motion liepen, waarbij iedere stap echode tussen de huizen. Toen niet veel later de smeulende brand geblust was, het gevaar geweken en alle vrouwen en dieren gered, heb ik met mijn twee huisgenotes nog tot zonsopgang beerenburgjes zitten drinken in de keuken, voor het open raam. We moesten er helemaal van bijkomen, van die brandweermannen.
Vandaag was mijn held van de dag slotenmaker. Vriendin M., die in mijn flat woont zolang ik in het huis van de leenpoezen zit, had de deur achter zich dichtgetrokken en de sleutel aan de binnenkant in het slot laten zitten. De sleutelreparatieman probeerde de deur eerst open te maken met een soort plastic kaart, waarbij hij steeds harder aan de deur trok en rammelde. Het zweet stond hem op het voorhoofd. Hij trok z’n trui uit, z’n T-shirt plakte aan z’n onderrug. De inbraakpoging mislukte, dus hij belde een collega. Hij moest een zeker zwart koffertje hebben om de cilinder uit het slot te halen. Een koffertje, zo vertrouwde hij me later toe, waarmee dat heel makkelijk zou zijn. Zo makkelijk zelfs dat hij er buiten werktijden niet eens mee rond mocht rijden omdat dat strafbaar was. “Ja,” zei hij tegen z’n collega, “ik kan de deur ook wel intrappen, maar het is juist zo’n leuk vrouwtje. Dat zou jammer zijn.” Hij lachte naar me. Ik vroeg me nog even af waarom mijn emancipatie-alarm niet afging, maar besloot te blozen en het er verder bij te laten. De sleutelman stak de hand met z'n trouwring in z’n zak.
Terwijl ik met vriendin M. buiten stond te wachten op het Zwarte Koffertje, liep hij de flat weer in met een speciaal gevouwen ijzerdraadje voor een hernieuwde inbraakpoging. Het was hem tot nu toe altijd gelukt, zei hij ondeugend. Hij was zo’n beetje de inbreker van de technische dienst, zei hij jongensachtig. Even later zagen we vanaf de straat mijn gordijn opzij schuiven, de balkondeur opengaan en de slotenmaakman triomfantelijk lachend naar buiten stappen. We hebben hem een applausje gegeven en daarbij schaamtelooos kreetjes geslaakt, gejoeld, gelachen en gekird. Daarna heb ik hem een held genoemd. Lang leve redders in nood.

18 april 2007

Ook sterk

Wat is dit nou? Ik moet opeens weer een dikke trui aan. De deuren naar het plaatsje moeten dicht door het koele weer. Ik voel me door de warmte van het afgelopen weekend meteorologisch gezien eigenlijk behoorlijk om de tuin geleid (Mentale aantekening: toch eens over bellen). Gelukkig schijnt de zon wel af en toe door het raam naar binnen op tafel. Ik schenk thee in en aai de leenpoes. Buiten klinkt het opeens alsof er een batterij kleuters zonder verdoving wordt gecastreerd.
Het blijkt om de andere leenpoes te gaan. Ze zit op het dak van de keuken met die lelijke langharige kat van hier ook in de buurt. Ze zitten naar elkaar te janken, de neuzen op nog geen halve meter afstand, de oren plat in de nek. Ze zijn na een buiteling over het dak en door de takken van de sering terechtgekomen in een soort status-quo. Wie zich het eerst omdraait, loopt kans op een aanval in de rug en geeft de nederlaag toe. Die heeft de rest van de zomer geen leven meer op het dak.
De leenpoes komt uit het asiel, en dit is haar eerste lente hier. Ik vind dat ze aardig haar mannetje staat tussen alle buurtkatten. Van mij mag ze blijven loeien zolang het nodig is, al komt het zo diep uit haar keel dat ik het zelfs angstaanjagend vind. Ze mag dan misschien een meidenhalsband hebben met bloemetjes, laat het maar duidelijk zijn dat deze grrrl ook power heeft. Onvervalste poezenpower.

17 april 2007

Blog

De reacties lopen uiteen als ik vertel dat ik een weblog heb geopend. Veel mensen reageren verbaasd als blijkt dat je graag stukjes schrijft, sommigen zijn niet thuis op internet en kunnen zich er niet veel bij voorstellen. Weer anderen reageren lief enthousiast en beloven je trouwste lezer te worden. Vriend P. reageerde anders. Hij trok z’n wenkbrauwen op, z’n hoofd schoot naar voren. Hij spreidde z’n armen, het bier uit z’n glas klotste over het terras. Hij keek me doordringend aan, blies z’n rook uit en riep verontwaardigd: “Zit jij ineens vrijdag in het holst van de nacht een blog te bouwen? En trek je daar speciaal een fles Retsina voor open? Had me dan gebeld!”

16 april 2007

Stoer

Ik heb gisteravond iets doms gedaan. Ik durf het haast niet te vertellen omdat ik me zo schaam. U zult het misschien niet eens begrijpen, maar ik vond het zo dom van mezelf dat ik ervan moest blozen. Van schaamte dan, hè. Want blosjes op m’n wangen krijg ik ook van andere dingen, maar daar gaat het nu even niet over.

Heeft u ook van die dingen die u heel stoer vindt aan zichzelf? Snel optrekken bij het stoplicht misschien? Of achteloos Nietzsche citeren? Uit je hoofd weten hoe je Nietzsche spelt? Op hele hoge hakken lopen zonder eruit te zien als een boer met voetpijn? Met één hand shagjes draaien zonder te morsen? Met beide benen kunnen dribbelen en scoren?

Nou, ik heb dat dus met poolen. Ik voel me een enorm stoere meid als ik aan het biljart sta. Tijdens de beurt van de ander knik ik nadenkend of laat een “tssssss” ontsnappen aan mijn in een mysterieuze glimlach gekrulde lippen. Ik pak het blokje, krijt de top van de keu, blaas het overtollige blauw eraf, doe een stap naar voren en neem de situatie op de tafel in me op. Daarna heb ik twee opties. Of ik stap doelbewust naar een kant van het biljart omdat ik onmiddellijk zie wat er moet gebeuren en meteen trefzeker kan stoten, óf ik loop er met wiegende heupen eens rustig omheen omdat de gecompliceerde situatie een moment van reflectie vereist.

Tot zover de voorbereiding. Dan de stoot zelf. Rustig naar het biljart toe stappen, elegant voorover buigen, de benen gestrekt, de rug voldoende hol om andere delen van het lichaam goed uit te laten komen. De vingers stevig plaatsen, de stoot voorbereiden, stoten en niet meteen weer omhoog komen. Even vlak bij het laken blijven, één met de rollende ballen. Glimlachen en weer omhoog komen. Haar naar achter zwaaien. Glimlachen als je een bal hebt gepot. Ook glimlachen als je hebt gemist, want dat was dan immers puur strategisch. Teruglopen naar je biertje en een flinke slok nemen. De keu rustig naast de voet op de grond laten rusten. Vaak genoeg verliezen om een graag geziene tegenspeler te blijven en vaak genoeg winnen om een uitdaging te zijn. De verbazing zien op het gezicht van mannen en de testosteronvonk in hun ogen omdat er ineens een noodzaak opduikt hun mannelijkheid te bewijzen.

Goed, zo gaat dat dus. Gisteravond was ook zo’n avond. Mijn tegenspeler was de minnaar, waar ik een goede indruk op wilde maken om redenen die u wel begrijpt. Stelt u zich al het bovenstaande voor, met na afloop van mijn stoot een stilte. De minnaar vroeg: “Waar speel je nou mee?”. Ik wilde al heel bijdehand beginnen over de keu, toen hij op de tafel wees. Tot mijn ontsteltenis en ter ontkrachting van mijn hele scenario voor stoere aantrekkelijkheid zag ik twee ballen rollen. Mijn laatst overgebleven gekleurde bal, en de zwarte. De witte speelbal lag onaangeroerd in een heel andere uithoek van de tafel.

15 april 2007

Zondag

Toen ik opstond, scheen de zon. Mijn minnaar had z’n eigen croissantjes meegenomen (afblijven, hij is van mij), en nadat hij me die geserveerd had met vers fruit nam hij me weer mee terug naar bed. Toen ik opnieuw opstond, scheen de zon nog steeds.
Ik nam een lange douche, dronk koffie, at pure chocolade gevuld met pepermunt, aaide de geleende poezen en maakte samen met de minnaar een plan voor de rest van de dag. En nog steeds scheen de zon.
We fietsten door de stad naar waar zijn auto stond. We reden door een bloeiend polderlandschap naar de plek waar hij foto’s wilde maken. Ik zat naast hem in de auto, in m’n rokje en met m’n blote voeten op het dashboard. Rechts van me slingerden bij het inhalen vrachtwagenchauffeurs de vluchtstrook op en links van me deed de minnaar een cd van m’n lievelingsband in de cd-speler.
Op de terugweg fietsten we van waar zijn auto stond terug naar mijn huis. De zon scheen, de terrassen zaten vol en ik kwam twee bekenden tegen, zodat ik die heel nonchalant in het voorbijgaan kon groeten. Ik bleek een vrouw in het bezit van jonge, knappe, hippe kennissen. Altijd goed.
Nu zit ik dit te schrijven. De pasta met Parmezaanse kaas is op, de rode wijn nog lang niet. De afwasmachine zoemt en de geleende poezen spinnen. De zon schijnt nog net boven de daken uit. Straks een ijsje bij de beste ijstent van de Randstad.
Deze dag kan gewoon niet meer stuk. Het enige wat hem nog beter zou maken, is als de minnaar nog een nacht zou blijven. Me straks weer gewoon mee naar bed zou nemen. Maar ja, dat gaat natuurlijk niet zomaar. Hij is door z’n croissantjes heen.

14 april 2007

Voeten

Scharreldieren zijn blije dieren. Maar wist u dat dat niet alleen voor beesten geldt? Neem nou mijn voeten. Die waren al scharrel, en met mijn nieuwe voetvijl van de Bodyshop blijken ze ook blij.

Lucht

In Groningen zitten luchtgaten in de grond. Officiële luchtgaten, van de gemeente. Op het deksel staat netjes aangegeven dat het om lucht gaat, en niet om bijvoorbeeld het riool of een gasleiding. Ik was even in Groningen op een tijdelijke vlucht van het leven. U kent die dipjes wel. Ik had lucht nodig maar niet de puf om er zelf naar te zoeken (Hoog, Impa, kijk omhoog, Impa). In Groningen, zo bleek, kon ik gewoon in gepeins verzonken naar de grond blijven kijken. De lucht zat er tussen de tegels.
Mijn wortels liggen in Groningen. Ik ben blij dat de stad er zo goed voor zorgt.